Symposium over waarde van broedplaatsen

‘We moeten met elkaar meer durven pielen en aanklooien’

| Creatieve broedplaatsen poppen overal op in steden. Vaak ontstaan ze in verlaten fabrieks- of bedrijfspanden, die worden omgetoverd tot bruisende hubs. En dat is maar goed ook, want dat creatieve broedplaatsen van grote waarde zijn staat vast. Maar welke waarde is dat dan? En hoe krijg je deze waarde voor elkaar met makers, vastgoed en overheden? Deze vragen vormden 25 juni de rode draad tijdens het hybride symposium ‘Broedplaatsen en de stad’ in het Electron in Breda. Initiatiefnemers van creatieve hubs, conceptontwikkelaars en vertegenwoordigers vanuit de overheid gingen het gesprek aan.

 

Door Stef Hankel

 

Dagvoorzitter Tom Vaessen trapte het symposium af. Hij ging in gesprek met Lisette Spee, directeur van Electron, en Bart de Zwart, projectleider ‘Bloeiende broedplaatsen’ van het Fontys. Zoals de meeste broedplaatsen is ook Electron gevestigd in een oud fabriekspand. “Met tachtig meter in lengte hebben wij dertig ateliers en bieden wij ruimte voor ruim zestig huurders en kunstenaars”, vertelde Spee. Wat Electron volgens haar zo bijzonder maakt is de multifunctionaliteit van de plek. “Meestal ga je naar een theater voor een voorstelling of naar een museum voor beeldende kunst. Bij een broedplaats als deze komt alles bij elkaar.”

 

Verschillende perspectieven
Met het onderzoeksproject ‘Bloeiende broedplaatsen’ is Bart de Zwart nu ruim een jaar bezig. “We werken samen met kennisinstellingen, maar ook met de sector en de organisaties die de creatieve huisvesting ontwikkeling en creëren.” Met het onderzoek zijn ze op zoek naar manieren om de positie van broedplaatsen in de stad en de samenleving te verstevigen. Volgens De Zwart kun je het onderwerp broedplaatsen vanuit meerdere perspectieven belichten. “Je kunt het benaderen als huisvestingsvraagstuk van de creatieve sector, je kunt er naar kijken vanuit gebiedsontwikkeling en placemaking en je kunt het bekijken vanuit een helicopterview en je afvragen wat het doet voor het ecosysteem, het vestigingsklimaat en de regionaal economische ontwikkeling.” Deze discussies worden wel gevoerd, maar vooralsnog naast elkaar, zo vertelde hij. “Deze perspectieven willen we met elkaar verbinden.”

 

‘Het aantal vierkante meters voor ateliers en woningen daalt sterk, terwijl de vraag alleen maar toeneemt’

 

Vestigingsklimaat
Tijdens het eerste rondetafelgesprek kwamen de cultuurmakers en kunstenaars aan het woord: Olof van de Wal, directeur van SKAR, kunstenaar Joop Bongaerts, Sepp Eckenhaussen en Lisette Spee. Een van de stellingen luidde: ‘Het is jammer dat het vestigingsklimaat zo goed is, omdat verandering zo belangrijk is’. Spee vroeg zich daarbij af of een goed vestigingsklimaat inderdaad niet een bepaalde luiheid teweegbrengt, waardoor dingen institutionaliseren en vernieuwing tegenhouden. Toch sloot ze zich meer aan bij wat Eckenhaussen hierover zei: “We zien dat sinds de Woningwet van 2015 het aantal vierkante meters voor ateliers en woningen sterk daalt terwijl de vraag alleen maar toeneemt.” Deze woningnood is een groot probleem benadrukt Spee. Ook Olof van de Wal sloot zich hierbij aan. “De vraag over hoe we ervoor zorgen dat er overal in de stad plekken zijn voor kunstenaars, houdt ons erg bezig. Deze plekken moeten werken voor zowel de kunstenaars als de stad en omgeving. Daar zoeken wij de balans in.”

 

Rol van omgeving
In het tweede rondetafelgesprek was het woord aan de ruimtemakers. Met Floor Ziegler van StadsmakersCoöperatie ZieglerGautier, Donica Buisman van het Stadslab RAUM, Kirsti Pol van Buro Kade en Tony Wijntuin van WYNE Strategy & Innovation. Ziegler begon met een korte presentatie over een wereld waarin de omgeving een vanzelfsprekende rol heeft voor broedplaatsen. “Wanneer wij aan de slag gaan met projecten beginnen we altijd met de omgeving. We luisteren naar mensen in de wijken en straten om te horen wat daar speelt.” Ze voegde daaraan toe dat eigenlijk iedereen wel te maken heeft met cultuur en behoefte heeft aan ontmoetingsplekken, maar dat ze vaak nog niet de connectie leggen met de rol van broedplaatsen hierin. “Wat is dan nodig is om deze groepen te betrekken? “We moeten allemaal uit onze bubbel komen en met elkaar een plek maken. Daar zit de waarde”, aldus Ziegler.

 

‘Het succes van een plek begint bij het betrekken van de community’

 

Donica Buisman was het hier mee eens. “Het succes van een plek begint bij het betrekken van de community en al die verschillende gebruikers en stakeholders van die plek. Als je dat weet te verduurzamen en door te zetten in de uitvoering en programmering, dan is het succes bijna inherent.” Tony Wijntuin voegde hieraan toe: “We zijn het vaak met elkaar eens over deze plekken, totdat het woord euro’s op tafel komt.” Hij vroeg zich daarnaast af of iedereen wel weet welke waarde er nou precies wordt gecreëerd door broedplaatsen. “We moeten die common ground vinden. We zijn het vaak voor tachtig procent met elkaar eens, daar moeten we dan ook geen discussies meer over voeren. Kijk naar die twintig procent en investeer daarin.”

 

Inclusiviteit
Eigenlijk moeten we het hebben over het maken van de samenleving, zei Kirsti Pol. “In de samenleving horen al deze partijen bij elkaar. Ik geloof erin dat een gezonde plek alleen maar lukt, als je met elkaar een ecologie wilt maken. We praten nog teveel in zuiltjes.” Inclusiviteit wordt hierdoor onmogelijk gemaakt, vindt ze. “Als we plekken creëren met de samenhang van meerdere functies en meerdere partijen, gaat dit voor iedereen goed zijn. Toen wij met de Mengfabriek begonnen, dachten we heel bewust in een concept. Op basis van dit concept bedachten we programma’s en hier hoorden uiteindelijk huurders bij. Dit waren stadsmakers, architecten, food-innovators, startups, maar ook kunstenaars.” Daarbij heeft de Mengfabriek ook een duidelijke plint met horeca die voor publiek belangrijk is. “Bezoekers komen zo in contact met het concept”, aldus Pol.

 

Pielen en aanklooien
In het laatste rondetafelgesprek werd ingegaan op de verbinding van twee perspectieven: enerzijds vanuit de cultuurmakers, anderzijds vanuit de ruimtemakers. Martine Zoeteman van Creatieve Hubs Nederland, Maarten Raaijmakers van de provincie Noord-Brabant en Bart de Zwart gingen hierover in gesprek. Op de vraag wat de rol van de provincie is ten opzichte van broedplaatsen, zei Raaijmakers: “We moeten met elkaar meer durven pielen en aanklooien. Het bedenken en het maken zit ook in ons dna. Voor ons als provincie is het belangrijk om gezamenlijk oplossingen te bedenken voor opgaven voor morgen. Bijvoorbeeld voor klimaat en energietransitie.”

 

‘In ons netwerk zien we dat je zowel ruimtemakers als cultuurmakers nodig hebt’

 

Aan Martine Zoeteman werd gevraagd of zij verschillen ziet tussen de broedplaatsen in andere provincies. “Je ziet zeker accentverschillen tussen de verschillende provincies. Ik vind het ook belangrijk dat een provincie zich hier hard voor maakt en de link legt met lokale hubs.” Wat een dergelijke hub dan nodig heeft om succesvol te zijn? Zoeteman: “Een hub zit tussen ruimte maken en cultuur maken. In ons netwerk zien we dat je eigenlijk mensen nodig hebt die beide goed kunnen.” Volgens Bart de Zwart vindt deze samenwerking gelukkig ook steeds meer plaats. “We zien dat er beweging is. Wel een beweging met verschillende snelheden.” Dit is ook niet zo gek, legt hij uit. “Het zijn vaak kleinere organisaties met veel activiteiten in de vrijwillige sfeer. Daardoor kan het lastig zijn om ook nog aan professionalisering en kennisdeling te doen.” Die beweging is er dus, maar het belangrijkste is ook dat er veel te leren valt van elkaar, aldus De Zwart.